Ann De Craemer #TAZ 2014

 laatste dag
Mijn hamburger vol tragiek smaakt naar medelijden, woede en droefheid
OPINIE − 07/08/14, 11u37

DM COLUMN Ann De Craemer is dit jaar de gastcolumniste van het literaire luik van Theater aan Zee, het tiendaagse theaterfestival in Oostende. Ze vertelt hier elke dag haar verhaal. Gisteren vroeg Theater aan Zee haar om een column voor te lezen die ze vorig jaar voor de papieren versie van De Morgen schreef. We geven hem hieronder integraal.

  • © Eric De Mildt.

Wanneer gisteren na een lange wandeling de honger me een snoeiharde dreun verkoopt, stap ik een hamburgertent binnen voor een snelle hap.

Omdat er een beklemmende hitte hangt, kies ik voor een plaats bij het raam. Tegenover mij zit een man met twee kinderen. Links van hem ligt een baby te slapen. Aan zijn rechterkant weent een meisje van een jaar of vier onophoudelijk. « Ik heb h-oooo-nger, papa! »

Ze krijgt geen gehoor en zet haar keel dan maar wijder open. Dat is zeer tegen de zin van haar vader: hij grijpt zijn dochter hardhandig bij de arm. « Godverdomme, ga je nu bijna stoppen met zagen en bleiten, gij onnozele truntemie! Strontbeu ben ik jou! » Het meisje huilt nog luider en maakt daardoor haar slapende broer wakker. « Miljaar, » zegt de vader, « ziet ge dat nu, nu begint die andere bleiter ook al! » Hij steekt zijn wijsvinger dreigend in de lucht. « Ge moet zwijgen of ik moet jullie niet meer hebben! Ik ga jullie alletwee in de zee smijten, verdomme, hoor je mij! »

Net op dat moment komt de moeder aangelopen met een dienblad vol frieten, hamburgers en cola. « Wat scheelt er nu weer allemaal? » zucht ze. Intussen is het meisje gestopt met huilen: ze kan eindelijk eten en is druk bezig het plastic velletje van een potje mayonaise te halen. « Wat er scheelt, godverdomme! » antwoordt de man. « Ik zal het u zeggen! Dat die twee hier heeltijd zitten te janken! Een mens zou van minder zot worden! » De vrouw, zwanger van een derde kind, gaat lijdzaam neerzitten. De baby huilt nog steeds. « Sssssht, » zegt ze, « ik ga je straks wel pakken » – en zo opgejaagd als maar kan propt ze de ene na de andere friet in haar mond. Haar dochter heeft moeite om de folie van haar hamburger te futselen, maar dat merkt niemand op.

« Ik word hier nerveus », zegt de vader, « ik ga een sigaret roken. » Hij beent naar buiten. De vrouw vecht tegen haar tranen. Terwijl de man staat te roken, zie ik hoe het meisje de helft van haar cola over haar stoel morst. Meteen bespeur ik angst in haar ogen: ze blijft versteend staren naar het beekje frisdrank dat over de grond stroomt. Ze werpt een blik naar haar moeder, die bezig is de baby te troosten.

« Miljaarde, ge meent het niet! » zegt de vader wanneer hij opnieuw naast zijn dochter plaatsneemt. « Wat heb je nu weeral zitten brielen! » Hij neemt een servet en trekt het meisje van haar stoel.

« Godverdomme, » richt hij zich tot zijn vrouw, « ik had u toch gezegd dat we beter thuisgebleven waren! Ik ben hier al heel de week geen seconde op mijn gemak. » De vrouw vecht opnieuw tegen tranen. « Ja, lap, gij gaat nu ook beginnen bleiten! Kom, we zijn weg! »

Mijn hamburger smaakt naar medelijden, en woede, en droefheid, en naar de gedachte dat er mensen zijn die er nooit zullen in slagen te begrijpen wat het woord ‘vakantie’ betekent, en nog minder ‘liefde’.

vijfde dag
Zeeschelpen en aanverwante artikelen: de wereld in een Oostendse etalage
Ann De Craemer − 06/08/14, 11u09
© Ann De Craemer.

DM COLUMN Ann De Craemer is dit jaar de gastcolumniste van het literaire luik van Theater aan Zee, het tiendaagse theaterfestival in Oostende. Ze vertelt hier elke dag haar verhaal.

  • © Eric De Mildt.

De toerist die het imposante stationsgebouw van Oostende verlaat en met de reisgids in de hand op pad trekt, zal uitvoerig worden ingelicht over Mercator, Venetiaanse Gaanderijen, Lange Nelle, Dikke Mathilde en Kursaal. Er is echter een bezienswaardigheid waarnaar hun papieren reisleider hen doorgaans niet zal sturen, en dat mogen we gerust als een doodzonde beschouwen.

Ik weet niet of ouders hun kinderen vandaag nog vertellen dat je in een schelp het ruisen van de zee kan horen. Dat hebben die van mij wel gedaan, en toen ik ontdekte dat het gewoon om een akoestisch fenomeen ging, was ik net zo ontgoocheld als toen bleek dat Sinterklaas niet bestaat. Maar naar de mooiste schelpen op het strand blijf ik ook nu nog graag zoeken, en al wie mijn fascinatie deelt, kan in de etalage van de schelpenwinkel aan de Groentemarkt 1 in Oostende zijn hart ophalen.

De kleuren van de etalage doen aan een Instagramfoto denken, maar hier is de nostalgie niet vervalst. ‘Zeeschelpen en aanverwante artikelen’, prijst een bord de waren aan. Naast schelpen in alle vormen en kleuren vind je er inderdaad ook ‘aanverwante artikelen’ zoals vissersbeeldjes, oud speelgoed, souvenirs en ansichtkaarten. Naast sommige schelpen liggen vergeelde stukjes papier met daarop omschrijvingen die mij in al hun eenvoud ontroeren: ‘Huis gesticht in 1959. Specialisatie zeeschelpen uit alle werelddelen’, en ‘Schelpen en Ensor, innig verweven, rust zacht, grootmeester, en ‘Schelpen, bekoring voor de ogen en de geest.’

De winkel zelf is helaas niet langer open: voor de verkoop, zo meldt een handgeschreven briefje, moet men zich tot een ander adres wenden. Voormalig eigenaar Leopold Vanhoeck en zijn echtgenote Diane zijn al twintig jaar met pensioen, maar wonen wel nog steeds boven hun winkel. De Nederlandse schrijfster Charlotte Mutsaers is een aantal maanden per jaar hun bovenbuurvrouw en liet de winkel figureren in haar romans Koetsier Herfst en Zeepijn. Op haar Facebookpagina verkondigt ze regelmatig haar liefde voor het levenswerk van Leopold, die vanaf 1960 begon met het verzamelen van schelpen uit alle werelddelen.

In een stad waarvan de authenticiteit brutaal werd aangevallen door de spuuglelijke gedrochten die immobiliënmagnaten er neerpootten, is de oude schelpenwinkel een stukje onvervalste Oostendse nostalgie dat hopelijk nooit zal verdwijnen. Toen ik er gisteren opnieuw langsliep, trok een meisje aan de arm van haar moeder. ‘Kijk, mama, hoe mooi!’, zei ze. ‘Waar zou deze schelp vandaan komen? En oh, hier, een zeeduivel!’

De moeder had maar weinig geduld, want ze wilde boodschappen doen in supermarkt Maenhout naast de winkel. ‘Kom, schatteke’, zei ze – en weg waren ze. Op een banner in het raam van de supermarkt las ik deze aankondiging: ‘Wij gaan vernieuwen’.

Laten we hopen dat in tijden waarin alles constant moet vernieuwen de etalage aan de Groentenmarkt 1 eeuwig zal blijven bestaan. William Blake dichtte dat je de wereld kan zien in een zandkorrel, maar in Oostende kan je de wereld zien in de etalage van een oude schelpenwinkel.

  • © Ann De Craemer.
 vierde dag
De Noordzee (en Tien Om Te Zien) zien en sterven
Ann De Craemer − 05/08/14, 11u02
© vtm. Willy Sommers en Anne De Baetzelier in ‘Tien Om Te Zien’.

DM COLUMN Ann De Craemer is dit jaar de gastcolumniste van het literaire luik van Theater aan Zee, het tiendaagse theaterfestival in Oostende. Ze vertelt hier elke dag haar verhaal.

  • © Eric de Mildt.

Soms – of laten we zeggen héél soms – zie je op de treurbuis iets wat je zo ontroert dat het in de kelder van je geheugen bewaard blijft. De madeleine van Proust die gisterenavond een van mijn televisieherinneringen naar boven deed klimmen, was de aanblik van de zee, die op haar mooist is wanneer de dagelijkse storm van toeristen is voorbijgeraasd. Ik keek naar de oneindige einder en dacht aan een uitzending van Napels Zien uit het gezegende jaar 2000, waarin de 89-jarige Jean Schoefs uit Riemst voor het eerst de zee zag. Jean was nooit ergens geweest. Vakantie had hij nooit gehad, want daar dachten werkmensen niet aan. Toen hij na een leven van bijna negentig jaar uiteindelijk op de dijk van De Haan stond, zei Jean dit: ‘De zee, dat kun je niet geloven. Jong, zóveel water, zó groot. Tedju, dat was schoon. De natuur, die goei lucht, dat stond mij daar geweldig aan.’

Zijn woorden hadden ook die van mijn grootmoeder kunnen zijn, aan wie ik ooit vroeg wat ze voelde toen ze op haar veertigste voor de eerste keer de zee zag. Ook zij was een werkmens voor wie uitstapjes een zeldzame frivoliteit waren, en bovendien had ze negen kinderen op te voeden. ‘Awel, ja’, zei ze kort en krachtig, ‘de zee is machtig schoon, hé, wat kun je daar anders over zeggen.’ Maar, voegde ze eraan toe, geworteld in haar eigen grond als ze was: ‘Al zou ik wel rap een boom hier en daar missen, want groen vind ik toch schoner dan grijs.’

Toen op haar tachtigste haar huis op het platteland werd onteigend om plaats te ruimen voor de Vlaamse epidemie der kmo-zones, belandde grootmoeder in een serviceflat in het centrum van mijn stad. Ze vergroeide er meteen tot een Siamese tweeling met haar naaste buurvrouw Madeleine, die ook zelden haar vertrouwde omgeving had verlaten, maar op haar oude dag toch af en toe nog een stapje buiten de deur wilde zetten.

Vanaf de zomer van 1990 werd een van Madeleines geliefde uitstapjes een bezoek aan King Beach in Blankenberge, waar toen elke zomervakantie Tien om te zien neerstreek. King Beach sprak Madeleine steevast uit als Kinzj Bee-aag, en vooral presentator en zanger Willy Sommers deed haar hart sneller slaan. Een paar keer poogde ze grootmoeder te overtuigen om mee te gaan, maar daar wilde die niets van weten. Ze was bang om duizelig te worden te midden van zo’n mensenmassa, en het tegenargument van Madeleine dat ze in een rolstoel kon zitten, mocht niet baten. ‘Een rolstoel is voor oude mensen’, klonk het laconieke antwoord. Bij haar thuiskomst echter vertelde Madeleine zo sappig over de wondere wereld van Kinzj Bee-aag dat elke toehoorder het gevoel had dat hij het daverende applaus en de ruisende golven op de achtergrond zélf had gehoord.

Toen ik grootmoeder vroeg of ze dat niet erg vond, dat ze al zo lang niet meer aan zee was geweest, antwoordde ze met ontwapenende nuchterheid dat er ergere dingen zijn in het leven, maar dat ze zich de kleur en geur van de zee nog kon herinneren alsof het gisteren was. Mijn grootmoeder heeft nooit andere zinnen neergeschreven dan die op haar boodschappenlijstjes, maar omdat ze teruggreep naar haar herinneringen en verbeelding om het verleden tot leven te wekken en opnieuw de Noordzee te proeven, was ze eigenlijk een schrijver zonder dat ze dat ooit heeft geweten.

Derde dag

Hoe een gedicht een dag aan zee kan vatten

OPINIE − 04/08/14, 13u41
© belga.

DM COLUMN Ann De Craemer is dit jaar de gastcolumniste van het literaire luik van Theater aan Zee, het tiendaagse theaterfestival in Oostende. Ze vertelt hier elke dag haar verhaal.

  • © Eric De Mildt.

Een meisje van vijf, zes jaar. Zwarte paardenstaart, roze rokje, witte kousjes. Ze springt op en neer van de pret wanneer haar moeder haar vraagt met welke gocart ze precies over de dijk van Oostende wil rijden. « Roze, roze, roze! », gilt ze – want alles aan haar is roze, ook de emmer die ze in haar rechterhand houdt en waarop Hello Kitty mij glimlachend aankijkt.

Wanneer ze op haar roze mini-gocart uit mijn zicht verdwijnt, wordt ze opgeslorpt door een menigte van mensen die allen op zoek zijn naar een briesje dat hun verbrande huid kan kalmeren, en vooral naar het democratische geluk dat de zee in eigen land te bieden heeft: ook wie hier weinig geld uitgeeft, is immer verzekerd van zon, zand en water als gratis toegangskaarten tot een portie pret.

Er is de man die naast visboetiek « Bij Lima is alles prima » een portie garnalen verorbert, zijn duim in de lucht steekt wanneer ik een foto van hem maak en vraagt of met mij ook alles prima is.

Er zijn de twee jobstudenten van een jaar of achttien die gniffelen wanneer ze ‘s ochtends een rek vol kleurrijke bikini’s uit een winkel naar buiten slepen.

Er is de bejaarde man die op een bank naast zijn vrouw zit en de ogen sluit en zegt dat de zon toch zoveel deugd kan doen. Hij legt zijn hoofd op haar schouder en laat mij zien hoe ook ik graag oud zou worden.

Er is de jongen die languit in het zand ligt en de krant leest, maar het zijn vooral de letters van de tatoeage op zijn kuit die mijn aandacht trekken. ‘Sexual healing’, staat erop – of hoe Marvin Gaye opnieuw tot leven komt in de stad waar hij ooit een tijd rust zocht.

Er is de waggelende peuter die vermoedelijk voor het eerst ziet hoe mooi de zee is, en er is de kleuter die garnalen weigert en zegt dat hij « liever frietjes dan beestjes » wil eten.

Er is ikzelf, die gisteren op het strand van Oostende deze tekst schreef terwijl ik zag hoe de rode zon steeds dieper in het water knielde, en ik genoot van een stukje theater aan zee waarvoor de natuur elke avond applaus verdient.

En er is, tot slot, het gedicht ‘De badgasten’ van L.F. Rosen dat net voorbij de Venetiaanse Gaanderijen tegen een muur prijkt, en dat, zoals alleen poëzie dat kan, met een minimum aan woorden een dag aan zee samenvat:

Het lijkt niet op te houden zoals de huid niet
ophoudt voor de vlieg, de verliefde hand. Zo’n dag
is het leven.

source

Tweede dag

« Er zijn ook stranden waar geluk niet afhangt van de kleur van de hemel »

Ann De Craemer − 03/08/14, 08u59
© reuters.

DM COLUMN Ann De Craemer is dit jaar de gastcolumniste van het literaire luik van Theater aan Zee, het tiendaagse theaterfestival in Oostende. Ze vertelt hier elke dag haar verhaal.

  • © Eric De Mildt.

Gisteren, tegen valavond, op dat wonderlijke moment van de dag dat Paul van Ostaijen heeft beschreven met de dichtregel ‘nu is van Kalifornies goud de tijd’, wandelde ik langs de waterlijn over het nog warme zand. Er waren twee geluiden die alle andere overstemden: de krijsende meeuwen in de lucht en joelende kinderen die achter een bal aanrenden. Een meisje dat nog maar pas kon lopen kirde van vreugde toen de golven over haar voeten rolden, en keek verbaasd naar de schelp die haar moeder in haar hand legde.

Een strand in België roept woorden op als zonnebrand, geroezemoes, boules de Berlin, monokini en, als we geluk hebben, felblauwe luchten. Maar er zijn ook stranden waar geluk niet afhangt van de kleur van de hemel.

Ik heb het over het strand van Gaza-Stad, waar ik twee jaar geleden tijdens een reis door Israël en de Palestijnse gebieden zelf naar de branding heb gekeken, en waar op 16 juli vier spelende kinderen werden gedood toen de Israëlische marine vanop zee een aantal granaten afvuurde. De vier neefjes waren samen met andere kinderen bij een vissershut aan het voetballen. Journalisten van het Franse persbureau AFP zagen hoe ze na een eerste granaatinslag naar een hotel 200 meter verderop vluchtten. Al snel volgde een tweede inslag, die de kinderen uiteindelijk fataal werd.

Op televisie zag ik hoe het water vredig over het zand rolde terwijl hulpdiensten de bebloede lichamen van de kinderen wegdroegen. « Mijn rug is voorgoed gebroken », huilde een vader, en daarna werd getoond hoe de jongens één voor één in een koelkast werden geschoven. In plaats van de warmte van het strand waarover ze net hadden gerend, restte hen alleen nog eeuwige kilte.

Figuurlijke maar des te ijzingwekkendere kilte sprak dan weer uit de reactie van Israël, dat de dood van de vier jongens een tragisch ‘incident’ noemde. U hoort het goed: een incident. Op de website van Joods Actueel maakten ze het met deze vette kop nog bonter: ‘Israël onderzoekt « tragische dood » Palestijnse kinderen – mogelijk ging het om Hamas-raketten’. De woorden « tragische dood » waren tussen dubbele aanhalingstekens geplaatst. Het was niet werkelijk tragisch, vertellen die twee luttele maar niet mis te verstane leestekens. Het was een incidentje. Een bagatelletje. Een akkefietje.

In zomertijden kijken we misschien vaker en liever dan anders weg van de ellende die zich afspeelt op stranden die zich op nog geen 5.000 kilometer van dat van Oostende bevinden. Maar ik móest het vandaag hebben over de schamele vissershut die ik op mijn televisiescherm zag nasmeulen nadat Israël zijn zoveelste ‘incidentje’ had veroorzaakt. Ik móest het hebben over de kleurrijke vlaggetjes die ik twee jaar geleden ook op het strand zag wapperen, en die mensen er hadden aangebracht om wat meer sfeer te creëren op een strand dat er voor de rest zo armoedig uitzag. Ik móet vandaag de namen van de vier jongens uitspreken, die in maar weinig kranten volledig werden vermeld: Zakaria Ahed Bakr, 10 jaar. Zijn misdaad: voetballen op het strand. Ahed Atef Bakr, 10 jaar. Zijn misdaad: kind zijn in Gaza. Mohammed Ramez Bakr, 11 jaar. Zijn misdaad: even willen ontsnappen aan de donkere wolk die boven zijn toekomst hangt. Ismail Mohammed Bakr, 9 jaar. Zijn misdaad, om het met de woorden van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish te hebben: geboren zijn onder het sterrenbeeld Beleg.

Misschien moet ik straks de namen van de vier kinderen in het zand van Oostende schrijven. Ik weet het: lang zal het niet duren voor de zee ze weer uitwist. Maar laat de golven hun namen meenemen, zodat de jongens eeuwig worden gewiegd na de misdaad die tegen hen werd gepleegd, op een strand op nog geen 5.000 kilometer van hier.

source

—————————

Eerste dag

« In Oostende nestelt de eeuwigheid zich in het landschap van de zee »

Ann De Craemer − 02/08/14, 11u47
© Ann De Craemer.

DM COLUMN Ann De Craemer is dit jaar de gastcolumniste van het literaire luik van Theater aan Zee, het tiendaagse theaterfestival in Oostende. Ze vertelt hier elke dag haar verhaal.

  • © Eric De Mildt.

Als Theater aan Zee op één plek in België thuishoort, dan is het wel Oostende. In de zomer is onze enige stad aan zee een oord waar toeristen uit alle hoeken van het land naartoe trekken om er op te treden als personages in de vertoning waar ze het hele jaar reikhalzend naar hebben uitgekeken: hun vakantie. Ze tooien zich in een outfit die alleen op de bühne van deze stad volop tot zijn recht komt, en zoals spelers op de scène ongemerkt met elkaar wedijveren om de meest onvergetelijke indruk op het publiek na te laten, zo voltrekt zich op het strand van Oostende elke dag een onzichtbare strijd om het meest gebronzeerde of strakke lichaam. In de stad waar de geest van James Ensor nog steeds over de dijk flaneert, draagt men in juli en augustus maar wat graag het donzen masker van de zomerzon.

Voor de achtergrondmuziek van dit schouwtoneel kan men kiezen tussen de zwoele soul van Marvin Gaye, de volkse deuntjes van Lucy Loes of de rauwe rock van Arno, die nooit toneel speelt maar altijd gewoon zichzelf is. Wie liever niet met een extra paar oren in het zand ligt, kan genieten van het puurste geluid dat deze stad te bieden heeft: het ruisen van de zee, nu eens zachtjes fluisterend, dan weer net zo schel schreeuwend als de vrouwen die aan de vistrap hun waren aanprijzen. En er zijn de meeuwen, altijd de meeuwen, die zo talrijk worden dat men van een plaag spreekt en zelfs de brandweer hen moet bestrijden, maar voor geen geld ter wereld zou ik hun gekrijs willen missen. Oostende zonder meeuwen is als een toneelstuk zonder hoofdrolspeler.

In mijn eerste herinnering aan deze stad ben ik zeven jaar. Mijn moeder ligt in bikini op een badhanddoek te zonnen en leest een boek, terwijl ik met mijn zus en vader een zandkasteel bouw. Het is een indrukwekkende constructie met ondergrondse gangen en een vestingtoren om u tegen te zeggen, en op de foto die mijn vader ervan maakte, glim ik niet alleen van de zonnecrème op mijn huid, maar ook van trots om de prestatie die we met vereende krachten hebben geleverd. Wanneer we tegen de avond naar huis vertrekken en ik een laatste keer omkijk naar de zee, zie ik hoe twee jongens joelend ons zandkasteel vertrappelen. Ik ben kwaad en verdrietig, maar mijn vader legt zijn hand op mijn schouder en vertelt me dat het niet erg is, en dat niets nu eenmaal voor eeuwig is.

Hij had gelijk, en toch ook niet, want in Oostende nestelt de eeuwigheid zich in het landschap van de zee, die vijfentwintig jaar na mijn zandkasteel onveranderd is gebleven. Dat kan men van nog maar weinig landschappen in Vlaanderen zeggen, want, zo las ik vorige week, elke dag moet zes hectare open ruimte wijken voor de baksteen in de maag van de Vlaming. Laat iedereen daarom straks langdurig naar de zee turen en beseffen dat kijken naar een onbezoedelde horizon de beste zuurstof voor de geest is.

Als er één iets is wat dat oneindige, eeuwige landschap van water verbindt met de donkere beslotenheid van het theater, dan is het wel dat beide plekken over de gave beschikken om de toeschouwer te doen wegdromen. Dat heeft niemand beter verwoord dan Herman Gorter in zijn gedicht ‘Aan zee’:

Aan zee

In ‘t land der dromen in het dromenland,
het is als kindren badend in de zee,
met het gekniel van lichtvrouw in gebee,
de lichte armen hoog op de zee, want

er is gezweef van bove’, en van de kant
ruist donkere muziek in om de vree
der wereld, der zonneberuiste steê,
en maakt het een verward doorzocht droomland.

Zachte dromen maken een helderheid
en ene kind-doorlach’ne werklijkheid –
zalig de aarde ware wij op wonen –
en het langsgaande is om ons te lonen –
dromenland is het land der natte zee
waar kindren spelen in rondgaande menigte.

Publicités

Une réflexion sur “Ann De Craemer #TAZ 2014

  1. Pingback: Ann De Craemer | annie bannie's Weblog

Laisser un commentaire

Entrez vos coordonnées ci-dessous ou cliquez sur une icône pour vous connecter:

Logo WordPress.com

Vous commentez à l'aide de votre compte WordPress.com. Déconnexion / Changer )

Image Twitter

Vous commentez à l'aide de votre compte Twitter. Déconnexion / Changer )

Photo Facebook

Vous commentez à l'aide de votre compte Facebook. Déconnexion / Changer )

Photo Google+

Vous commentez à l'aide de votre compte Google+. Déconnexion / Changer )

Connexion à %s